ours-idefisc

Idefisc — Actualités fiscales

En matière fiscale, l’appel est toujours suspensif

La Cour de cassation a récemment rendu un arrêt intéressant en ce qui concerne le caractère exécutoire par provision d’une décision de justice en matière fiscale.

Une SCRL avait fait l’objet de retenues opérées par l’Etat belge sur base des articles 402 et 403 du CIR qui prévoient la responsabilité solidaire du commettant pour le paiement des dettes fiscale (nées avant la conclusion du contrat) de l’entrepreneur à qui il fait appel. Elle saisit alors le juge des saisies afin que celui-ci ordonne la mainlevée des saisies conservatoires opérées par l’Etat belge ainsi que la restitution des sommes retenues.

La SCRL ayant obtenu gain de cause devant le juge des saisies, l’Etat belge a fait appel du jugement.

La société a toutefois poursuivi l’exécution forcée du jugement frappé d’appel. L’Etat belge s’y est alors opposé en faisant opposition devant le juge des saisies.

La Cour d’appel n’a pas suivi l’argumentation de l’Etat belge et a décidé que le jugement du juge des saisies était exécutoire par provision.

La question est alors portée devant la Cour de cassation.

L’Etat belge soulève deux moyens à l’appui de sa demande : l’incompétence du juge des saisies et la violation des articles 300§2 et 377 du CIR.

La question de l’incompétence du juge est rapidement résolue : le juge des saisies était bien compétent pour connaître de la demande de la SCRL. Or, la décision du juge des saisies est, en principe, exécutoire d’office.

L’interprétation des deux dispositions ci-dessus fut soumise à la Cour de cassation. L’article 377 du CIR prévoit que les délais d’opposition, d’appel et de cassation, ainsi que l’opposition, l’appel et le pourvoi en cassation sont suspensifs de l’exécution de la décision de justice.

Cette disposition concerne toutefois la procédure d’établissement de l’impôt et non, comme en l’occurrence, la procédure de recouvrement.

C’est l’article 300, §2 qui est applicable à cette dernière. Il stipule : « Lorsqu'une demande en justice a pour objet, même partiellement, des mesures destinées à effectuer ou à garantir le recouvrement de l'impôt, y compris tous additionnels, accroissements et amendes, ainsi que des intérêts et frais y relatifs, le délai de cassation ainsi que le pourvoi en cassation sont suspensifs. ».

Il ne fait aucune référence ni à l’opposition et à l’appel en tant que tels ni aux délais qui les concernent.

Selon l’avocat général, l’article 300, §2 du CIR serait une disposition qui complète le droit commun de la procédure (art. 1397 à 1402 du CJ). L’article 1397 du Code judiciaire prévoit, à cet égard, que : « Sauf les exceptions prévues par la loi et sans préjudice de la règle énoncée à l'article 1414, l'opposition formée contre le jugement définitif et l'appel de celui-ci en suspendent l'exécution ». L’article 300, §2 du CIR aurait donc pour objet d’ajouter le délai de cassation et le pourvoi en cassation à la liste prévue par l’article 1397 du CJ (qui ne vise pas les décisions du juge des saisies).

En revanche, l’article 377 du CIR constituerait un système complet qui interdit toute mise à exécution de la décision judiciaire tant que toutes les voies de recours n’ont pas été utilisées.

L’avocat général examine ensuite ces dispositions à la lumière des travaux parlementaires qui confirment la volonté du législateur de consacrer un effet suspensif général en matière de recouvrement fiscal.

Il en conclut que, nonobstant l’imprécision et les lacunes de la loi, la cohérence commanderait que l’exécution provisoire d’une décision judiciaire relative au recouvrement de l’impôt connaisse un régime identique, tant pour ce qui est de la décision du premier juge que pour celle du juge d’appel et tant pour l’appel que pour le pourvoi en cassation.

La Cour s’est ralliée à l’opinion de son avocat général et casse l’arrêt attaqué au motif que l’article 377 du CIR fait obstacle à ce qu’une décision qui tranche une contestation relative à l’application du CIR soit exécutoire par provision.

Elle décide ainsi que l’article 377 du CIR s’applique tant en matière d’établissement de l’impôt qu’en matière de recouvrement.

Si cette interprétation à l’avantage de la cohérence, il faut toutefois admettre qu’elle se concilie mal avec les principes qui président à l’interprétation des lois d’impôt.

En donnant une portée générale à l’article 377 du CIR, la Cour de cassation contourne les difficultés liées à l’interprétation de l’article 300, §2 du CIR lu en combinaison avec les dispositions du Code judiciaire qui aurait conduit à décider que le jugement du juge des saisies était exécutoire par provision.

Auteur : Pauline Maufort

In fiscale zaken is het beroep altijd opschortend

Het Hof van Cassatie heeft onlangs een interessant arrest geveld betreffende het uitvoerbaar karakter bij voorraad van een gerechtelijke beslissing in fiscale zaken (Cass. 28 februari 2014, A.R. N° F.12.0185.F).

Een CVBA werd onderworpen afhoudingen die de Belgische staat had uitgevoerd op basis van de artikelen 402 en 403 van het WIB die de hoofdelijke aansprakelijkheid voorzien van de uitvoerder voor de betaling van fiscale schulden (ontstaan voor het afsluiten van het contract) van de ondernemer op wie hij een beroep had gedaan. Ze maakt de zaak aanhangig bij de beslagrechter teneinde te bekomen dat hij de handlichting oplegt van de bewarende beslagen die door de Belgische staat werden uitgevoerd, alsook de terugbetaling van de afgehouden bedragen.

Nadat de CVBA de zaak voor de beslagrechter gewonnen had, tekende de Belgisch staat beroep aan tegen het vonnis.

Het bedrijf heeft echter de gedwongen tenuitvoerlegging van het vonnis waartegen beroep werd aangetekend, verder gezet. De Belgische staat heeft zich daarna daartegen verzet voor de beslagrechter.

Het Hof van beroep heeft de argumentatie van de Belgische staat niet gevolgd en heeft geoordeeld dat het vonnis van de beslagrechter uitvoerbaar bij voorraad was.

De vraag werd daarna voorgelegd aan het Hof van Cassatie.

De Belgische staat werpt twee middelen op om zijn verzoek te ondersteunen : de onbevoegdheid van de beslagrechter en de schending van de artikelen 300§2 en 377 van het WIB.

De vraag rond de onbevoegdheid van de rechter is snel beantwoord : de beslagrechter was weldegelijk bevoegd om de vraag van de CVBA te behandelen. Bovendien is de beslissing van de beslagrechter in principe van rechtswege uitvoerbaar.

De interpretatie van de twee hierboven vermelde bepalingen werd voorgelegd aan het Hof van Cassatie.

Artikel 377 van het WIB voorziet dat de termijnen van bezwaar, beroep en cassatie, alsook het bezwaar, het beroep en het cassatieberoep opschortend zijn voor de uitvoering van de gerechtelijke beslissing.

Deze bepaling betreft echter de procedure van vestiging van de belasting en niet, zoals in dit geval, de procedure van invordering.

Het is artikel 300, §2 die op dat laatste van toepassing is. Het bepaalt dat ; « wanneer een instelling van een rechtsvordering als doel heeft, ook al is dat gedeeltelijk, maatregelen te bekomen om de invordering van de belasting uit te voeren of te garanderen, met inbegrip van alle bijkomstigheden, verhogingen en boetes, alsook de interesten en de daarmee verbonden kosten, zijn de cassatietermijn alsook het cassatieberoep opschortend. ».

Het maakt geen verwijzing noch naar het bezwaar en het beroep op zich, noch naar de termijnen van dat bezwaar en beroep.

Volgens de advocaat-generaal zou artikel 300, §2 van het WIB een bepaling zijn die het gemeen procedurerecht vervolledigt (art. 1397 tot 1402 van het GerW.). Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet hieromtrent dat ; « behalve de uitzonderingen die door de wet voorzien zijn en onverminderd de regel die in artikel 1414 wordt uiteengezet, schort het aangetekende bezwaar tegen het definitieve vonnis en het beroep hiertegen er de uitvoering van op ». Artikel 300, §2 van het WIB zou dus als doel hebben de cassatietermijn en de termijn van verwijzing naar cassatie aan de lijst, die voorzien is door artikel 1397 van het GerW., toe te voegen (dat niet de beslissingen van de beslagrechter beoogt).

Daartegenover zou artikel 377 van het WIB een volledig systeem instellen die elke tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing verbiedt zolang alle beroepsmogelijkheden niet werden gebruikt.

De advocaat-generaal onderzoekt vervolgens deze bepalingen in het licht van de parlementaire werken die de wil van de wetgever bevestigen om een algemeen opschortend effect toe te kennen inzake fiscale invorderingen.

Ondanks de onduidelijkheid en de lacunes in de wet, besluit hij hieruit dat de coherentie zou gebieden dat de uitvoering bij voorraad van een gerechtelijke beslissing met betrekking tot de invordering van de belasting een gelijkaardig regime kent, zowel voor de beslissing van de eerste rechter als voor deze van de rechter in beroep en zowel voor het beroep als voor de verwijzing in cassatie.

Het Hof heeft de mening van de advocaat-generaal overgenomen en verbreekt het bestreden arrest om die reden dat artikel 377 van het WIB niet verhindert dat een beslissing die tot een betwisting leidt met betrekking tot de toepassing van het WIB, uitvoerbaar bij voorraad is.

Zij beslist zo dat artikel 377 van het WIB van toepassing is zowel voor de vestiging van de belasting als in invorderingszaken.

Indien deze interpretatie in het voordeel is van de coherentie moet men toch toegeven dat ze moeilijk te verzoenen valt met de principes die aan de interpretatie van de belastingwetten vooraf gaan.

Door een algemeen draagvlak te geven aan artikel 377 van het WIB omzeilt het Hof van Cassatie de moeilijkheden die verbonden zijn aan de interpretatie van artikel 300, §2 van het WIB, gelezen samen met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek wat ertoe zou geleid hebben te beslissen dat het vonnis van de beslagrechter uitvoerbaar bij voorraad was.

Auteur : Pauline Maufort
ours-idefisc
Idefisc — Actualités Fiscales
©2003-2019 Idefisc & Words and Wires W3validator