ours-idefisc

Idefisc — Actualités fiscales

Taxation des indemnités de fin de mandat

La Cour d’appel de Mons a été saisie d’un litige concernant des indemnités de fin de mandat par un agent indépendant d’une banque. La question débattue est relative au caractère forcé ou non de la cessation d’une activité.

En l’espèce, il s’agit d’une société anonyme qui a décidé dans le cadre de la réorganisation de son réseau d’agences de mettre fin au mandat de différents mandataires.

Suite à cela, les mandataires ont reçu des indemnités.

L’un des contribuables a repris ces indemnités, dans sa déclaration pour les exercices d’imposition 2001 et 2002, sous le code prévu pour les plus-values imposables distinctement au taux de 16,5 %. En revanche, il a utilisé dans sa déclaration relative à l’exercice d’imposition 2000 le code propre aux plus-values imposables distinctement au taux de 33 %.

L’administration a procédé à une rectification de ses déclarations. Elle a décidé d’imposer l’ensemble de ces indemnités au taux de 43,3 %.

Elle a ainsi fait application de l’article 171, 5°, c) du CIR 92 qui précise que les bénéfices ou profits d’une activité professionnelle antérieure visés à l’article 29, alinéa 1er, 2° et 3°, a) sont soumis au taux moyen afférent à l’ensemble des revenus imposables de la dernière année antérieure pendant laquelle le contribuable a eu une activité professionnelle normale.

Le tribunal de première instance de Mons a donné gain de cause au contribuable en déclarant sa demande fondée (Civ. Mons, 15 décembre 2011). Il a dit pour droit que les indemnités de fin de mandat étaient constitutives de plus-values de cessation sur immobilisations incorporelles versées à l’occasion de la cessation définitive forcée de son activité et donc taxées distinctement au taux de 16,5 % (article 171, 4°, b) du CIR 92).

L’Etat belge a fait appel de cette décision. Selon lui, la cessation de l’activité n’est, en l’espèce, pas forcée. La plus-value résultant de cette rupture du contrat dépend de la volonté du contribuable. Il estime dès lors qu’elle doit être imposée au taux de 33 %, et ce en application de l’article 171, 1°, c) du CIR 92.

La Cour d’appel de Mons décide que l’indemnité perçue par le contribuable constitue une indemnité versée lors de la cessation définitive et forcée. Elle rappelle que par « cessation définitive forcée », il convient d’entendre « la cessation définitive qui est la conséquence d’un sinistre, d’une expropriation, d’une réquisition en propriété ou d’un autre événement analogue (article 171, 4°, b), alinéa 2 du CIR 92) ».

Le commentaire administratif affirme, en son numéro 171/203, que les travaux préparatoires précisent que par « événement analogue », l’on vise nécessairement un événement survenant indépendamment de la volonté de l’intéressé.

La Cour ajoute qu’il ressort des travaux préparatoires que la ratio legis de cette disposition est d’éviter que le contribuable soit taxé sur l’indemnité qu’il percevrait en cas d’événement indépendant de sa volonté.

La Cour confirme ainsi le jugement rendu par le tribunal de première instance de Mons et déclare l’appel de l’Etat belge non fondé.

On notera que, sur cette question, la jurisprudence de la plupart des juridictions francophones diverge de celle des tribunaux néerlandophones.

Florence CAPPUYNS
Auteur : Florence Cappuyns

Belasting van de vergoedingen bij einde mandaat

Een geschil betreffende de vergoedingen bij einde mandaat voor een zelfstandig agent van een bank werd voor het Hof van beroep van Bergen aanhangig gemaakt. De betwiste vraag betreft het al dan niet gedwongen karakter van de stopzetting van een activiteit.

In dit geval gaat het over een naamloze vennootschap die in het kader van de reorganisatie van haar netwerk van agenten beslist heeft om een einde te stellen aan het mandaat van verschillende mandatarissen.

Ten gevolge hiervan hebben de mandatarissen vergoedingen gekregen.

Eén van de belastingplichtigen heeft deze vergoedingen opgenomen in zijn aangifte voor de aanslagjaren 2001 en 2002, onder de code voorzien voor de afzonderlijk belastbare meerwaarden tegen een aanslagvoet van 16,5%. Daarentegen heeft hij in zijn aangifte voor het aanslagjaar 2000 de code voor de afzonderlijk belastbare meerwaarden tegen een aanslagvoet van 33% gebruikt.

De administratie is overgegaan tot een rechtzetting van zijn aangiftes. Ze heeft beslist om het geheel van zijn vergoedingen te belasten tegen 43,3%.

Op die manier heeft zij artikel 171, 5°, c) van het WIB 92 toegepast, dat zegt dat de winsten of voordelen afkomstig van een beroepsactiviteit eerder bedoeld in artikel 29, alinea 1ste, 2° en 3°, a) onderworpen zijn aan het gemiddelde tarief dat betrekking heeft op het geheel van belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar tijdens hetwelke de belastingplichtige een normale beroepsactiviteit uitoefende.

De rechtbank van eerste aanleg van Bergen heeft de belastingplichtige in het gelijk gesteld door zijn aanvraag gegrond te verklaren (Burg. Bergen, 15 december 2011). Ze heeft voor recht gesproken dat de vergoedingen bij einde mandaat een stopzettingsmeerwaarde op de immateriële vaste activa genereert die gestort wordt bij gelegenheid van de gedwongen definitieve stopzetting van zijn activiteit en dus afzonderlijk belast wordt tegen een aanslagvoet van 16,5% (artikel 171, 4°, b) van het WIB 92).

De Belgische staat heeft beroep aangetekend tegen deze beslissing. Volgens haar was de stopzetting van de activiteit in dit geval niet gedwongen. De meerwaarde die uit deze contractverbreking voortvloeide hangt af van de bereidheid van de belastingplichtige. Ze is bijgevolg van mening dat ze tegen een aanslagvoet van 33% moet belast worden en dit in toepassing van artikel 171, 1°, c) van het WIB 92.

Het Hof van Beroep van Bergen beslist dat de vergoeding die door de belastingplichtige werd ontvangen een vergoeding is die werd gestort naar aanleiding van de definitieve en gedwongen stopzetting van de activiteit. Ze herhaalt dat “een definitieve gedwongen stopzetting” moet begrepen worden als “de definitieve stopzetting die het gevolg heeft van een schadegeval, van een onteigening, van een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis (artikel 171, 4°, b), alinea 2 van het WIB 92)”.

In haar nummer 171/203 bevestigt het administratief commentaar dat de voorbereidende werken verduidelijken dat met “gelijkaardige gebeurtenis” men zeker een gebeurtenis bedoeld die zich voordoet onafhankelijk van de bereidheid van de belanghebbende.

Het Hof voegt er aan toe dat uit de voorbereidende werken blijkt dat de ratio legis van deze bepaling is om te vermijden dat de belastingplichtige wordt belast op de vergoeding die hij kreeg in geval van een gebeurtenis die niet afhangt van zijn bereidheid.

Het Hof bevestigt zo het vonnis die de rechtbank van eerste aanleg van Bergen geveld heeft en verklaart het beroep van de Belgische staat ongegrond.

We zullen noteren dat voor wat deze vraag betreft, de rechtspraak van de meeste Franstalige rechtspraak verschilt van deze van de Nederlandstalige rechtbanken.

Auteur : Florence Cappuyns
ours-idefisc
Idefisc — Actualités Fiscales
©2003-2019 Idefisc & Words and Wires W3validator